Wilgenhout, Salix alba

Herkomst:
Europa.

Handelsnamen:
Wilgen (Nederlands); willow (Engels); saule (Frans); Weide (Duits).

Kenmerken:
Kleur: kern: lichtbruin, rosbruin, vuilwit, rossig geelwit;
spint: iets lichter gekleurd.
Groeiringen duidelijk.
Nerf: fijn.
Draadverloop: recht, golvend, soms kruisdradig.
Tekeningen: komt veel overeen met populier.
Glans: matig.
Aanvoelen: zacht.
Branden: vrij goed, rustig, geeft witte as.

Eigenschappen:
Volumegewicht: 0,43 tot 0,50 bij 12%
Vers weegt 1 m3 ongeveer 700 tot 900 kg.
Mechanische eigenschappen:
Buigsterkte: zwak.
Stijfheid: zeer zwak.
Schokweerstand: laag tot middelmatig.
Druksterkte: overhangs: zwak.
Hardheid: overlangs: zeer zwak;
kops: zwak.
Krimp: wilgen krimpt weinig.
Stabiliteit: matig stabiel.
Duurzaamheid: weinig duurzaam; klasse V.
Geschiktheid tot drenken: kern doordringbaar.

Bewerking:
Het hout is vrij licht, buigzaam, taai, zacht en goed splijtbaar.
Goed te bewerken zowel met de hand als met de machine.
Spijkers en schroeven aanbrengen levert geen probleem.

Afwerking:
Goed te schilderen en te vernissen.

Toepassingen:
Voornamelijk klompen, die beter zijn dan populieren omdat ze minder water doorlaten. Verder wordt het gebruikt voor dezelfde doeleinden als populieren zoals stelen, huishoudartikelen en blindhout bij meubels. Dunne stammen worden verwerkt tot gereedschapsstelen. Dicht homogeen hout wordt ook door de beeldhouwer gebruikt.

Bijzonderheden:
Van groot belang is het rijshout als vlechtwerk bij waterbouw. Rijshout wordt om de 3 jaar geoogst. Voor cricketbats gebruikt men een speciale soort, de salix coerula. De Engelsen achten dit hout onvervangbaar voor het vervaardigen hiervan.

Bevoorrading:
Op stam en gezaagd hour.

Opmerkingen:
De salix alba kan 15 tot 20 m hoog worden. Deze soort wordt ook veel als knotwilg gekweekt. De omtrek kan tot verscheidene meters gaan.