Fluweelboom, Rhus typhina

De Fluweelboom dankt zijn naam aan de krachtige, roodbruin behaarde, eenjarige twijgen, waaraan de groene, geveerde bladeren verschijnen. Deze kleine boom wordt minstens even vaak Azijnboom genoemd, naar het geelachtige sap dat bij aansnijding uit het rood gekleurde merg vloeit..
In zijn natuurlijk woongebied groeit de fluweelboom vooral op droge, steenachtige hellingen met veel kalk in de bodem, maar in cultuur neemt hij met elke vruchtbare bodem genoegen. Van vervuilde lucht heeft de boom weinig last.
Herkomst: Oostelijk deel van Noord -Amerika
Handelsnaam: Fluweelboom, Azijnboom, Sumak, Staghorn sumak (USA)

Technische gegevens: Bladverliezende boom of struik, inheems in het oostelijk deel van Noors-Amerika. Algemeen aangeplant in parken en tuinen van Centraal- en Noord-Europa. Ook in ons land.
Hoogte: tot 7,5 m. maar in het wild tot 12 m.
Bloemen ontluiken tegen eind juni of in juli. Manlijke en vrouwelijke bloemen op afzonderlijke bomen. De vrouwelijke vormen een dichte donsachtige pluim, 10-20 cm lang, rood en fluweelachtig. De bladeren zijn ook bedekt met zacht fluweelachtig haar. In de herfst verkleurend tot helder oranje. In combinatie met de karmozijnrode vruchten. leveren zij een bijzonder schouwspel op in elke tuin.